Start het Hulpprogramma voor het maken van installatiepakketten.
Accepteer de licentieovereenkomst.
Selecteer Pakket met stuurprogramma's en toepassingen.
Selecteer indien nodig Licentieovereenkomst weergeven tijdens installatie van het pakket.
Selecteer in het gedeelte 'Apparaat selecteren' de optie Apparaat nu selecteren. Klik vervolgens op Volgende.
Voer een van de volgende handelingen uit:
Selecteer een printer in de lijst met printers die zijn gevonden op het netwerk.
| Opmerking: Als uw printer niet in de lijst staat, klikt u op Mijn printer wordt niet weergegeven. Raadpleeg de Help bij Hulpprogramma voor het maken van installatiepakketten voor meer informatie. |
Klik op Geavanceerd en selecteert een poorttype.
| Opmerking: Klik op Standaard om terug te keren naar de lijst van gevonden printers. Raadpleeg de Help bij Hulpprogramma voor het maken van installatiepakketten voor meer informatie. |
Selecteer in het menu 'Type afdrukstuurprogramma' de gegevensstroom die het afdrukstuurprogramma moet gebruiken. Vervolgens klikt u op Printer toevoegen.
Configureer het afdrukstuurprogramma.
Typ in het veld 'Printernaam' een unieke naam voor uw printer. De printernaam is de naam die wordt gebruikt voor de afdrukwachtrij die op de computer wordt gemaakt.
Indien nodig doet u het volgende:
Typ in het veld 'Opmerkingen' een korte beschrijving van uw printer.
In het veld 'Locatie' geeft u op waar de printer zich bevindt.
Selecteer Deze printer delen en typ vervolgens een unieke naam voor de gedeelde printer.
Een aangepaste configuratie van het afdrukstuurprogramma kunt u op een van de volgende manieren toepassen:
Klik op
om een configuratiebestand voor het afdrukstuurprogramma te maken. Vervolgens configureert u de printerinstellingen.
Klik op
om een configuratiebestand voor het afdrukstuurprogramma te laden en selecteer vervolgens een LDC-bestand.
Pas de wijzigingen toe.
Voeg indien nodig nog een printer toe.
Indien nodig klikt u op
om de printer als standaardprinter in te stellen na de installatie van het pakket.
Klik op Volgende.
Selecteer de toepassingen die u in het pakket wilt opnemen, en klik op Volgende.
| Opmerking: Als u op de naam van de toepassing klikt, krijgt u een korte beschrijving van de toepassing te zien. |
Kijk waar het pakket wordt opgeslagen.
| Opmerking: Als u het pakket ergens anders wilt opslaan, klikt u op |
Voltooi het maken van het pakket.
| Opmerking: Selecteer Locatie van pakket openen om de map te openen waarin het pakket is opgeslagen. |